Tag Archives: natuur

Het vliegend Hert

Een van de mysterieuze dieren in ons land, het vliegend hert, leeft in oude houtwallen en hakhout percelen. Dit dier, de grootste kever van Europa, is samen met deze oude houtwallen en hakhoutpercelen zeldzaam geworden. In Nederland komt hij nog maar op een paar plekken voor.

Mannetje van het vliegend hert

Mannetje van het vliegend hert

Hoewel hij door zijn grote kaken erg goed opvalt heeft dit dier een mysterieuze levenswijze. Het vliegend hert legt zijn eitjes in de oude stobben van vooral eikenhout. De larven voeden zich met vermolmd hout. Vergeleken met veel andere hout etende kevers heeft deze soort een voorkeur voor de ondergrondse delen. Rond de wortels kunnen ze met vele bij elkaar zitten. Voor wilde zwijnen zijn ze dan ook een waar feestmaal zodra ze een nest van larven hebben gevonden. De dieren zijn pas na 5 tot 8 jaar volgroeid. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de schrale voedselbron die het hout vormt. Dit is ook de reden dat de grote van de dieren erg kan variëren. Van maximaal 9 centimeter tot minimaal drie. De Broedbomen, zoals de stobben worden genoemd waarin de eitjes worden afgelegd, moeten aan speciale eisen voldoen. Ze moeten groot genoeg en grotendeels vermolmd zijn en een juist microklimaat hebben.

Zodra de larven groot genoeg zijn, verlaten zij het hout en graven ze een hol op ongeveer 20 centimeter diepte in de grond. Daar verpoppen ze tot een cocon. Deze cocon kan net zo groot worden als een heel kippenei! Aan het begin van de herfst ontpoppen ze zich tot een volwassen dier. In winter blijven ze nog in hun cocon tot in het voorjaar. De volwassen kevers verschijnen in juni en juli en zijn te zien tot in augustus. Na zo’n 8 jaar onder de grond en in de stobbe geleefd te hebben leeft het mannetje ongeveer een maand als volwassen dier boven de grond. Het vrouwtje is in volwassenstadium zelfs korter actief!

De mannetjes vechten met hun grote kaken, die uitsteken als een gewei, om de vrouwtjes. Tijdens deze strijd proberen de mannetjes elkaar vast te pakken en op te tillen om daarna de tegenstander van de tak of boom te gooien.

Het vliegend hert is een soort die gebaat is bij oude eikenstobben met deels rottend hout. In het verleden werden deze veel opgeruimd. Tegenwoordig worden ze beschermd en laten natuurbeheerders meer dood/rottend hout staan in de bossen en onze cultuurlandschappen. Door zijn mysterieuze levensstijl onder de grond valt het vliegend hert in het grootste gedeelte van zijn leven niet op. Zo’n stobbe lijkt in die acht jaar dan ook geen waarde te hebben. Maar schijn bedriegt. Het laten staan van een stobbe is dan ook de moeite waard en een must voor dit grote insect. Daarnaast kun je na gaan dat een populatie van vliegende herten de kwaliteit van het bos weergeeft. Het vliegend hert is een belangrijke schakel in het verteringsproces van het dode hardhout en geeft de voedingsstoffen en de mineralen terug aan de bodem. Vanuit de voedingsstoffen en de mineralen kunnen dan weer nieuwe planten ontstaan. Waarna de cirkel rond is.

 

Bron afbeelding: http://www.wildplukker.nl/?p=358

Vogels op voedseltocht

Terwijl andere lijsterachtigen wegtrekken, komen de stevige kramsvogel met grijze kop en de kleinere koperwiek met zijn roestrode oksels in de winter tevoorschijn. De koperwiek is een echte trekvogel, die zich in de zomer terug trekt in de naaldbossen van Scandinavië. De

kramsvogel daarentegen is een soort die zich ook in de zomer laat zien in ons kleine kikkerlandje,  alleen in veel lagere aantallen. Koperwieken kunnen grote afstanden afleggen naar hun overwinteringsgebieden. Dit doen zij vooral ’s nachts. Door Kramsvogelhun opvallende geluid hoor je ze overtrekken. Mediterrane gebieden zoals Griekenland, Italië en Frankrijk worden aangedaan. De kramsvogels houden het liever dichter bij huis. Vanuit het zuiden van Scandinavië vliegen ze naar Nederland of naar Midden-Frankrijk.

Kramsvogel

Kramsvogel

In Nederland komen ze elkaar tegen. Daar gaan de soorten goed samen. In cultuurlandschappen met vruchtdragende struwelen snoepen ze van de bessen of zijn ze in het grasland opzoek naar zaden en wormen. De twee soorten trekken samen op en vormen soms grote groepen. Door samen te scholen zien ze dreigend gevaar sneller aankomen.

Koperwiek

Koperwiek

In het boerenland vallen hun contactroepen onmiddellijk op. De rumoerige drukte die ontstaat als je een groep nadert laten je meteen weten met welke soorten je te maken hebt. Zodra ze dan opvliegen kun je de kramsvogels makkelijk van de koperwieken onderscheiden. De koperwiek heeft onder zijn vleugel een roestbruine vlek zitten die door het wieken van de vleugel zichtbaar wordt voor de aanschouwer. De kramsvogel daarin tegen heeft een blauwgrijze ondervleugel, waardoor de twee kleuren in contrast met elkaar staan. Na het opvliegen zoeken ze de hoogte op van een boom of struik, om van daaruit te kunnen zien wat er gaande is. Zodra de rust is teruggekeerd, of een roofdier is verdwenen, keren ze terug naar hun foerageergebied.

Foto’s/ tekst: Roel Diepstraten

Het ree en het cultuurlandschap

De dagen worden korter en langzaam wordt het kouder. Het wordt winter. Een periode waarin voedsel schaarser wordt en een moeilijke tijd aan breekt voor veel dieren. Bij het ree is dat net zo. De dieren gaan op zoek naar eten in de paar uurtjes waarin het licht is. Je zult ze dan ook veel vaker tegen komen!

Reeën komen in vele verschillende landschapstypen voor. Het liefst leven ze in parkachtige landschappen met lichtere gevarieerde opstanden met veel ondergroei en bosranden. Bij een te hoge dichtheid zien we reeën op plekken waar weinig tot geen bos aanwezig is zoals open kale weilanden. Het liefste gebruiken ze houtsingels en andere plaatsen waar ze dekking kunnen vinden om de dag in door te brengen.

Ree-hinde met kalf

Ree-hinde met kalf met op de achtergrond een gevlochten heg

Vrijwel overal kun je ze in Nederland tegen komen. Op enkele plekken zoals een paar Waddeneilanden en sommige polders vind je geen reeën. Verder vind je ze overal! Door struwelen, houtwallen en andere lintvormige bosschages aan te leggen kunnen reeën meer dekking vinden. Hierdoor wordt zijn leefgebied verbeterd. Ze hebben meer rust en kunnen voldoende dekking vinden. Ook krijgen ze een gevarieerder voedselaanbod.

Het ree is gebouwd om in dichtbegroeide bosschages en hoog gras te leven. Met zijn kleine lichaam kan hij zelfs onder zeer laag prikkeldraad door kruipen of springen ze er overheen met behulp van hun grote, goed ontwikkelde dijbeenspieren. Hier maken ze dankbaar gebruik van zodra ze gevaar horen of ruiken. Hun reukvermogen is beter ontwikkeld als dat van bijvoorbeeld een hond. Waarschijnlijk kunnen ze van 300 tot 400 meter afstand geuren waarnemen. Het gezichtsvermogen van een ree is maar matig ontwikkeld. Ze kunnen bijvoorbeeld niet zien of een persoon stil naar ze zit te kijken. Zodra je beweegt zal het ree dit des te sneller doorhebben. Wil je een ree goed waarnemen blijf dan rustig en stil op een plek zitten.

Ree in het open veld

Ree in het open veld

In de zomer leven reeën apart van elkaar. In de winter kunnen ze groepen vormen van soms wel 10 dieren. In de zomer hebben ze een territorium, dat vooral door de bokken actief wordt verdedigd. De territoria van de vrouwtjes overlappen regelmatig. De dieren blijven vrijwel hun hele leven op de zelfde plek.

In het cultuurlandschap kunnen veel reeën leven. Er is namelijk voldoende dekking en voedsel. Door de aanleg van heggen en andere landschapselementen wordt het leefgebied van het ree verbeterd. De kans op een plotselinge ontmoeting wordt daardoor vergroot. Een prachtig en lieflijk dier dat menig fietser en wandelaar tot stilstand brengt zodra hij zich laat zien.

De Geelgors

Een van de opvallendste  vogels van cultuurlandschappen is wel de geelgors. Met zijn prachtige melodie heeft het felgele mannetje zelfs Beethoven doen inspireren voor zijn vijfde symfonie. Je kunt hem heel het jaar tegenkomen. Echter moet je voor zijn gezang wachten tot het voorjaar wanneer de mannetjes de vrouwtjes proberen te imponeren. En in de winter komen ook nog eens veel geelgorzen hier overwinteren vanuit het hogere noorden.

Het mannetje van de geelgors zingend vanuit een hoge zangpost.

Het mannetje van de geelgors zingend vanuit een hoge zangpost.

In Nederland is de geelgors een standvogel van diverse halfopen landschappen. Agrarische landschappen met veel landschapselementen bijvoorbeeld. Hij eet vooral zaden van grassen, granen enzovoort. In het voorjaar en de zomer , de broedtijd, worden kleine ongewervelde aan dit dieet toegevoegd.  In deze broedtijd kunnen ze 2 tot 3 legsels voortbrengen met daarin 4 tot 6 eieren. Het lijkt alsof de eieren zijn betekend met een penseel. Daarom werden de vogels in het Brabantse dialect ook wel schrijverke genoemd.

Eieren geelgors: Bron wikipedia

Eieren geelgors: Bron wikipedia

Het vogeltje komt vooral op de hogere zandgronden voor. De Veluwe, Brabant en het Oosten zijn ideale plekken om ze te vinden. Heel af en toe wordt er eentje waargenomen in het duingebied. Dit is echter zeer sporadisch het geval.

Doordat houtwallen en heggen verdwenen, werd de populatie geelgorzen in de twintigste eeuw erg klein. De geelgors stond op de Nederlandse rode lijst, maar doordat de populatie zich herstelde, is hij hier vanaf gehaald. Door het herstel en het verbeteren van zijn leefgebied is deze vogel langzaam aan het terugkrabbelen uit het dal. Maar de hoeveelheid waarin ze vroeger voorkwamen is nog lang niet bereikt!

Natuurwerkdag 2013

Kleren mochten vies worden en de handschoenen verslijten. Er was veel werk te verrichten afgelopen zaterdag tijdens de nationale natuurwerkdag 2013. De VNC deed ook dit jaar voor het eerst mee en had 26 volwassenen en 11 kinderen als vrijwilligers te gast bij Villa Wylerberg. Zij werden begeleid door enkele vaste vrijwilligers en onze medewerkers. Samen gingen ze aan de slag met verschillende werkzaamheden.

Berken weg knippen

Berken weg knippen

Hakken en zagen

Er was veel werk te doen! Vooral veel snoei- en zaagwerk werd er verricht. Er werden berken verwijderd die zich spontaan hadden gevestigd in het grasland. Deze berken werden verwijderd om te voorkomen dat ze het grasland zouden overwoekeren. Hele kleintjes maar ook hele grote berken werden uitgestoken, weggeknipt of zelfs omgezaagd!

Essenhakhout wordt afgezet.

Essenhakhout wordt afgezet.

Zaagwerk werd er ook verricht bij het afzetten van essenhakhout. De vijf meter lange takken werden omgezaagd waarna er een stompje over bleef.  Dit stompje groeit later weer uit en over 4 tot 5 jaar staan hier ook weer grote takken op. Deze takken werden vroeger gebruikt als bijvoorbeeld stelen voor gereedschap of voor vlechtwerk.

Vrijwilligers krijgen uitleg bij een heg.

Vrijwilligers krijgen uitleg bij een heg.

Ook werden er tijdens de werkdag heggen gevlochten. Dit moeilijke werk werd vooral door mensen met wat ervaring gedaan of vrijwilligers die dit ook wel eens wilden leren. Een secuur werkje dat een mooi eindresultaat levert.

Muziek

Na een dag hard werken kon iedereen terug kijken op het vele werk dat zij hadden verzet. Het veld met berken was leeg, het essenhakhout afgezet, hagen geschoren en nieuwe heggen gevlochten. De vrijwilligers werden getrakteerd op muziek van Hans Hamers en er mocht zelfs een kijkje worden genomen bij de dassen in het opvangcentrum van Das&Boom!

Met zijn alle berken verwijderen.

Met zijn allen berken verwijderen.

Extra foto’s van deze dag kunt u bekijken op onderstaande link van Henk Baron: http://www.henkbaron.nl/gallery2/main.php?g2_itemId=1203702

Historisch landgebruik

Kekerdom wordt al vele duizenden jaren bewoond. In die tijd is het landschap erg veranderd. Van een woeste wildernis, naar een idyllische omgeving, tot aan het landschap wat er nu van over is. Het landgebruik is door de jaren heen ook veranderd. In dit blog beschrijf ik in het kort de veranderingen die het landschap heeft ondervonden vanaf de tijd dat de romeinen hier aanwezig waren tot aan nu.

Het grote open water van de rivier was een natuurlijke grens. Mens, maar ook dier konden deze barrière maar moeilijk overbruggen. Het water van de Rijn vormde voor de Romeinen de noordgrens van hun immens grote rijk. Nadat het Romeins rijk instortte nam de bevolking rondom de rivieren sterk af. In de daarop volgende eeuwen ontstonden opnieuw nederzettingen op de hogere delen van het landschap.

Naast de rivier liggen oeverwallen. Deze zijn hoger dan het omliggende landschap die we de kommen noemen. Deze komgronden bestaan uit zware klei. De lichte kleideeltjes, die gemakkelijk door de rivier konden worden verplaatst, liggen verder weg van de rivier dan het veel zwaardere zand en grind dat zich in de oeverwal bevind. In deze lage komgronden bevonden zich verschillende donken. Dit waren hogere delen van het landschap die uitstaken boven het moeras. Net als op de oeverwallen en de oude stroomruggen ontstonden er op de randen van de donken de eerste nederzettingen.

Graan zoals rogge werd verbouwd op de kleine akkertjes

Graan zoals rogge werd verbouwd op de kleine akkertjes

Op de hogere vruchtbare delen ontstonden de eerste akkercomplexen. De komgronden waren nog niet ontgonnen en bestonden vooral uit een wildernis van moerasbos dat uit onder andere wilgen en elzen bestond. In de winter liepen deze komgronden nog altijd onder water waardoor de hoger gelegen delen als eilandjes boven het water uitstaken. Pas nadat er kaden en dijkjes werden aangelegd, werden de komgronden ontgonnen en werd de rivier steeds verder ingekaderd. De rivier heeft lang strijd geleverd. Tot na de tweede wereldoorlog liepen de kommen nog regelmatig onder water.

oud wilgen moerasbos in de Millingerwaard

oud wilgen moerasbos in de Millingerwaard

Op deze komgronden kon het vee geweid worden en het gras worden gehooid. Ook was hier ruimte voor het geriefhout zoals wilgen en knotessen.  In de komgronden was de verkaveling verdeeld in smalle rechte percelen, terwijl deze op de oeverwallen vooral blokvormig was. De begrenzing van deze percelen werden omringd door (struweel)hagen met allerlei bruikbare planten.

Tot aan de 20ste eeuw werd er nog akkerbouw bedreven op de hogere delen in het stroomgebied. Daarna werden steeds meer akkers door boomgaarden vervangen. Tussen 1960 en 1970 verdwenen veel boomgaarden die in ruil voor subsidie werden omgezet naar grasland.

Oude boomgaard met verschillende soorten fruit

Oude boomgaard met verschillende soorten fruit

Andere gewassen en andere technieken hebben er voor gezorgd dat de weilanden en akkers tegenwoordig langs elkaar liggen, in de komgronden of op de hogere delen. De duidelijke grenzen van hoog en laag zijn verdwenen door onder andere ruilverkavelingen en ontwatering.

Door: Roel Diepstraten

Gebruikte bronnen: Natuur in Nederland; Frank Berendse, ISBN 9789050113762

Opzoek naar Kekerdom zoals het vroeger was

De laatste 50 jaar is de uitstraling van het gebied rondom Kekerdom ontzettend veranderd. Door verschillende ruilverkavelingen ten behoeve van de landbouw is het een gebied met kale weilanden geworden. Voorheen waren de kleine weilanden met elkaar verbonden door struweelhagen, gevuld met allerlei verschillende soorten struiken. Deze werden op hun beurt weer afgewisseld met knotbomen.

De hagen en knotten waren voor de boer net zo belangrijk als de weilanden waar ze omheen lagen. Ze leverden brandhout, stelen voor werktuigen en dienden als afrastering om de dieren binnen en soms zelfs buiten te houden. Maar tijden veranderen, materiaalkeuze veranderde en tenslotte veranderde het landschap. Het hout van de knotten was niet meer nodig, net als de hagen. Zij werden vervangen door prikkeldraad. Intensieve landbouw leverde meer op dan de knotwilgen, de houtwallen en de kleinschalige weilanden, hoe mooi ze ook zijn.

Benieuwd naar het oude landschap van toen, ga ik op zoek. Op zoek naar de restjes, de kleine elementen en gebieden die ons herinneren aan dit leven van vroeger. De komende tijd zal er elke week een blog verschijnen waarin we dit oude landschap beter leren kennen. De dieren die er in leefden, de mensen van toen en hoe het nu is.

Kaart Millingen & Kekerdom uit 1803

Kaart Millingen & Kekerdom uit 1803

We beginnen onze zoektocht in het archief. Oude kaarten van honderden jaren geleden laten ons zien hoe het er toen uit zag. Door de kaarten te vergelijken met de kaart van nu zie je de veranderingen.

Wat me meteen opvalt op de kaart is de rivier. Hoewel de rivier meanderend zijn weg naar de zee vindt, is hij de afgelopen honderd jaar weinig veranderd. De ruwe kantjes zijn er vanaf gehaald. De bochten zijn minder scherp en lopen tegenwoordig soepeler. Als we dieper inzoomen en naar het wegenpatroon kijken, blijkt dat de hoofdwegen en dijken nagenoeg niet zijn veranderd!  Een patroon dat al honderden jaren het zelfde is. Ook de namen doen ons denken aan nu. Kekerdom, Millingen en Leuth: namen die niets veranderd zijn.

Echter zijn er ook veel dingen die wel veranderd zijn. Het kasteel bij Kekerdom is verdwenen, en veel kleinschalige erfbegrenzingen zijn van de kaart geveegd.  Het hoofdpatroon van de percelen is wel terug te vinden op de kaart! De groter geworden percelen liggen nog altijd in dezelfde richting ten opzichte van de oude waterafvoeren, zoals dat te zien is bij de Smalle Wielsche Wetering.

Kaart Kekerdom 2010

Kaart Kekerdom 1803 Kaart Kekerdom 1803 ten opzichte van 2010

Er zijn nog veel meer verschillen te vinden: groter geworden dorpen, nieuwe kleiputten en grotere bedrijven. Om een beter beeld te krijgen van hoe het er toen uit zag moeten we niet alleen de kaart bekijken, maar moeten we het gebied in. Volgende week kijken we verder!

Door: Roel Diepstraten

Bron van de kaart: Beeldbank Vrije Universiteit Amsterdam. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/4984/rec/1