Author Archives: nederlandscultuurlandschap

VNC zoekt groene vingers!

De VNC zoekt vrijwilligers met groene vingers
Naast het kantoor van de VNC in Beek-Ubbergen bevindt zich het Informatiecentrum met elf miniatuurtuinen. Wandelend door deze tuinen wisselen de prachtige cultuurlandschappen zich af. Van het Limburgse heuvellandschap en de Texelse tuunwallen wandel je naar de bomendijken in Zeeland en het terpenlandschap in Groningen. Elk landschap is tot in detail nagebootst.

De miniatuurlandschappen zijn hét visitekaartje van de VNC en worden elk jaar door vele mensen bezocht. Het onderhoud vraagt jaarlijks de nodige aandacht. Om te zorgen dat men ook in de toekomst van de miniatuurlandschappen kan genieten zoekt de VNC enthousiaste vrijwilligers met groene vingers.

Onderhoudswerk aan het  Limburgse heuvellandschap

Onderhoudswerk aan het Limburgse heuvellandschap

Het werk bestaat uit het verwijderen van onkruid en het snoeien van de bonsaiheggen en –bomen. Daarnaast moeten de paden worden onderhouden en is onderhoud aan de beplanting rond de miniatuurlandschappen nodig.

Wat vragen we van je:
– Je bent in de periode februari tot en met oktober beschikbaar op de dinsdag- of donderdagochtend.
– Je kunt minimaal 1 ochtend in de twee weken komen helpen.
– Je hebt een positieve houding en werkt graag samen met anderen.
– Je weet van aanpakken en steekt graag de handen uit de mouwen.

Wat bieden wij je:
– Een prachtige werkplek midden in de natuur
– Werkkleding

Waar is het:
De miniatuurlandschappen zijn gelegen in Beek-Ubbergen op korte afstand van Nijmegen.

Geïnteresseerd?
Neem dan contact op met Laurens Jansen (telefoon 024-6842294 of ljansen@nederlandscultuurlandschap.nl )

Steenuilen in de Ooijpolder

Kleine vliegende jager Het kleinste uiltje van Nederland is een welgeziene bewoner van het cultuurlandschap. Als holenbroeder gebruikt hij graag natuurlijke holtes voor het nest en als slaapplaats. Oude knotbomen leveren ideale nestgelegenheid op door de aanwezigheid van spleten, scheuren en gaten. In oude cultuurlandschapen zijn deze bomen veelvuldig aanwezig. Door het verdwijnen van deze bomen, verdwijnen ook de nestgelegenheden van deze soort. Gelukkig is de soort niet kieskeurig en vindt hij op de meest rare plaatsen een vervangende plek. Onder golfplaten en dakpannen van gebouwen bijvoorbeeld, maar ook nestkasten worden veel gebruikt. Steenuilen leven vooral ’s nachts, maar ook kun je ze met vaak in de ochtend- en avonduren vrij makkelijk waarnemen. Ze hebben de grootte van een merel, maar door hun ronde postuur lijkt de steenuil iets groter. Als kleine ronde bolletjes turen ze van een hoge plaats de omgeving af. Op zoek naar eten of gewoon kijken naar wat er zoal in zijn omgeving gebeurt. Hij eet van alles, muizen, kevers, nachtvlinders, amfibieën, vleermuizen, en ook kleine prooien zoals bromvliegen en maden. Ook vogels die net zo groot zijn als hem zelf zoals spreeuwen worden gevangen.

Steenuil in de Ooijpolder Om de soort te stimuleren heeft de VNC afgelopen jaar in samenwerking met STONE (steenuilenoverleg Nederland) verschillende nestkasten geplaatst bij verschillende eigenaren in de Ooijpolder. Deze kasten zijn speciaal ontworpen voor de steenuil. Ze kunnen er een veilig onderkomen in vinden. Het is nu wachten tot de eerste steenuil gebruik gaat maken van deze mooie voorzieningen. Doordat het landschap in de Ooijpolder is verrijkt met landschapselementen, kunnen de jongen, die straks uitvliegen uit de nestkasten, een mooie plek vinden om te leven.

Plaatsen steenuilenkast. Foto: Pauline van Marle

Plaatsen steenuilenkast. Foto: Pauline van Marle

Nieuwe natuurlijke broedplekken Hoewel de steenuilenkasten een goede vervanging zijn voor de natuurlijke holtes, blijven natuurlijke holtes erg belangrijk. Helaas zijn de mogelijkheden om in een natuurlijke broedholte te kunnen broeden weinig aanwezig. Aanstaande vrijdag 21 maart zal de VNC tijdens NLdoet, de grootste vrijwilligersactiviteit van Nederland, nieuwe knotessen planten aan de Duffeltdijk tussen Leuth en Kekerdom. Het zal misschien een hele tijd duren, maar wanneer deze knotessen zijn uitgegroeid tot knoestige reuzen zullen zij zeker nestgelegenheid bieden voor deze mooie uilensoort. Wilt u komende vrijdag deelnemen aan het planten van deze knotessen? Dat kan! Meldt u dan aan via NLdoet. www.nldoet.nl

Een rij oude knotessen Een mooie plek voor een steenuil om in te nestelen.

Een rij oude knotessen Een mooie plek voor een steenuil om in te nestelen.

Beleef de lente Je kunt zelf ook een kijkje nemen in het leven van de steenuil. Op de website van de vogelbescherming “beleef de lente” is een koppeltje steenuilen te volgen. Wat gebeurt er nu eigenlijk allemaal in en rond zo’n nestkast. Bekijk het zelf op volgende link: www.beleefdelente.nl/vogel/steenuil

Steenuil met een wezel als prooi. Foto: Andrë Eykenaar. (Bron STONE)

Steenuil met een wezel als prooi. Foto: Andrë Eykenaar. (Bron STONE)

 

Het vliegend Hert

Een van de mysterieuze dieren in ons land, het vliegend hert, leeft in oude houtwallen en hakhout percelen. Dit dier, de grootste kever van Europa, is samen met deze oude houtwallen en hakhoutpercelen zeldzaam geworden. In Nederland komt hij nog maar op een paar plekken voor.

Mannetje van het vliegend hert

Mannetje van het vliegend hert

Hoewel hij door zijn grote kaken erg goed opvalt heeft dit dier een mysterieuze levenswijze. Het vliegend hert legt zijn eitjes in de oude stobben van vooral eikenhout. De larven voeden zich met vermolmd hout. Vergeleken met veel andere hout etende kevers heeft deze soort een voorkeur voor de ondergrondse delen. Rond de wortels kunnen ze met vele bij elkaar zitten. Voor wilde zwijnen zijn ze dan ook een waar feestmaal zodra ze een nest van larven hebben gevonden. De dieren zijn pas na 5 tot 8 jaar volgroeid. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de schrale voedselbron die het hout vormt. Dit is ook de reden dat de grote van de dieren erg kan variëren. Van maximaal 9 centimeter tot minimaal drie. De Broedbomen, zoals de stobben worden genoemd waarin de eitjes worden afgelegd, moeten aan speciale eisen voldoen. Ze moeten groot genoeg en grotendeels vermolmd zijn en een juist microklimaat hebben.

Zodra de larven groot genoeg zijn, verlaten zij het hout en graven ze een hol op ongeveer 20 centimeter diepte in de grond. Daar verpoppen ze tot een cocon. Deze cocon kan net zo groot worden als een heel kippenei! Aan het begin van de herfst ontpoppen ze zich tot een volwassen dier. In winter blijven ze nog in hun cocon tot in het voorjaar. De volwassen kevers verschijnen in juni en juli en zijn te zien tot in augustus. Na zo’n 8 jaar onder de grond en in de stobbe geleefd te hebben leeft het mannetje ongeveer een maand als volwassen dier boven de grond. Het vrouwtje is in volwassenstadium zelfs korter actief!

De mannetjes vechten met hun grote kaken, die uitsteken als een gewei, om de vrouwtjes. Tijdens deze strijd proberen de mannetjes elkaar vast te pakken en op te tillen om daarna de tegenstander van de tak of boom te gooien.

Het vliegend hert is een soort die gebaat is bij oude eikenstobben met deels rottend hout. In het verleden werden deze veel opgeruimd. Tegenwoordig worden ze beschermd en laten natuurbeheerders meer dood/rottend hout staan in de bossen en onze cultuurlandschappen. Door zijn mysterieuze levensstijl onder de grond valt het vliegend hert in het grootste gedeelte van zijn leven niet op. Zo’n stobbe lijkt in die acht jaar dan ook geen waarde te hebben. Maar schijn bedriegt. Het laten staan van een stobbe is dan ook de moeite waard en een must voor dit grote insect. Daarnaast kun je na gaan dat een populatie van vliegende herten de kwaliteit van het bos weergeeft. Het vliegend hert is een belangrijke schakel in het verteringsproces van het dode hardhout en geeft de voedingsstoffen en de mineralen terug aan de bodem. Vanuit de voedingsstoffen en de mineralen kunnen dan weer nieuwe planten ontstaan. Waarna de cirkel rond is.

 

Bron afbeelding: http://www.wildplukker.nl/?p=358

Land met identiteit

Herkomst van veldnamen in de Ooijpolder

Veldnamen zijn namen die vroeger aan percelen of gebieden werden gegeven vanwege de ligging, de bodem, het landgebruik of de ontginningsgeschiedenis. In de Ooijpolder zijn veel van deze namen weer tot leven gebracht door vereniging ‘De Ploegdriever’.  Ze zijn te zien op bordjes in het veld en ook op de kaart hieronder.

De Ooijpolder ligt in het dynamische rivierengebied van de Gelderse Poort. Dit gebied is grotendeels vormgegeven door de invloed van de rivieren. Dijkdoorbraken, overstromingen en erosie of afzet van zand, grind of klei: het heeft allemaal invloed gehad op het huidige landschap zoals u het nu kunt aantreffen. Veel van deze invloeden en de kenmerkende eigenschappen van de gronden zijn nog terug te vinden in oude veldnamen.

Ziekenhuizen en instellingen waren vroeger grote eigenaren van de gronden in de Ooijpolder. Zij verpachtten de gronden vervolgens weer aan de boeren. Ieder jaar konden boeren inschrijven op

percelen die zij wilden pachten. In die tijd waren de veldnamen erg belangrijk en kende iedere boer de namen van de percelen die hij wilde hebben.

Kaar van de Ooijpolder met de verschillende veldnamen

Kaar van de Ooijpolder met de verschillende veldnamen

Enkele typerende voorbeelden van  veldnamen met een korte verklaring
Sommige veldnamen klinken raar in de oren. Bijvoorbeeld de naam ‘elf hond van het gasthuis‘, lijkt moeilijk te verklaren, maar hond is een oude oppervlaktemaat (circa 1.400 m²). Het gaat om een perceel dat eigendom was van het gasthuis, een instelling in Nijmegen waar zieken en gewonden werden verzorgd.

Bordje: elfde hond van het gasthuis

Bordje: Elf Hond van het Gasthuis

‘Onschamele kamp’ betekent zoiets als onbetamelijk land. Het perceel heeft vroeger ook Kontencamp geheten. De relatie met het landschap zou kunnen zijn dat de zware kleigrond moeilijk te bewerken was. Een veldnaam als Kolk verwijst naar oude dijkdoorbraken. Doordat de dijken toen destijds nog niet overal even hoog en sterk waren kwam het regelmatig voor dat er dijken doorbraken. Hierbij ontstonden  een  diepe waterplassen. Een ande

re naam die met dijkdoorbraken te maken heeft is ‘Kostverloren’. Op deze plek lag vroeger een moeras en twee kolken. De eigenaar kon deze grond niet meer gebruiken. De grond waarop hij de kost moest verdienen was hij verloren door het woeste water dat door de dijk heen brak.Naambordje in het veld.

‘Fluwelen kamp’ is juist een positieve benaming voor een zeer geschikte landbouwgrond. Tot in de 19e eeuw werd bij hoog water in de winter via sluizen voedselrijk rivierwater binnen de dijken gelaten. In het voorjaar wanneer het water zakte bleef vruchtbaar slib achter op het land. De voedselrijke weilanden van de Ooijpolder waren zo bekend dat in het voorjaar vanuit Denemarken grote kuddes koeien werden aangevoerd om hier zich te goed te doen aan de voedselrijke weiden (Van Eck, 2005).
Op het perceel ‘Oud Kasteel’ heeft werkelijk een kasteel gestaan en dit is ook nog te zien aan de bult in het landschap. Het Huis te Persingen werd op deze plek zwaar beschadigd in de 80-jarige oorlog.
Sommige  andere namen verwijzen naar de families waarvan de percelen eigendom waren, zoals het Leeuwsveldje, Jonkmanshof, Scherpenhuizen en Heukelomskamp. 

Voor  geïnteresseerden die graag meer namen van het landschap willen leren kennen is een bezoek aan het gebied zeker de moeite waard.

Bronnen:Veldnamen kaart ´Circul de van Ooij´ gemaakt door de landschapsbeheer vereniging De Ploegdriever. Deze kaart is gebaseerd op de oude ´Kaart van de polder Ooij´uit 1889.        Eck, Jan van (2005), Historisch atlas van Ooijpolder & Duffelt. Een rivierengebied in woord en beeld. SUN, Amsterdam

Door Niek Meister, Student van Hall Larenstein

Vogels op voedseltocht

Terwijl andere lijsterachtigen wegtrekken, komen de stevige kramsvogel met grijze kop en de kleinere koperwiek met zijn roestrode oksels in de winter tevoorschijn. De koperwiek is een echte trekvogel, die zich in de zomer terug trekt in de naaldbossen van Scandinavië. De

kramsvogel daarentegen is een soort die zich ook in de zomer laat zien in ons kleine kikkerlandje,  alleen in veel lagere aantallen. Koperwieken kunnen grote afstanden afleggen naar hun overwinteringsgebieden. Dit doen zij vooral ’s nachts. Door Kramsvogelhun opvallende geluid hoor je ze overtrekken. Mediterrane gebieden zoals Griekenland, Italië en Frankrijk worden aangedaan. De kramsvogels houden het liever dichter bij huis. Vanuit het zuiden van Scandinavië vliegen ze naar Nederland of naar Midden-Frankrijk.

Kramsvogel

Kramsvogel

In Nederland komen ze elkaar tegen. Daar gaan de soorten goed samen. In cultuurlandschappen met vruchtdragende struwelen snoepen ze van de bessen of zijn ze in het grasland opzoek naar zaden en wormen. De twee soorten trekken samen op en vormen soms grote groepen. Door samen te scholen zien ze dreigend gevaar sneller aankomen.

Koperwiek

Koperwiek

In het boerenland vallen hun contactroepen onmiddellijk op. De rumoerige drukte die ontstaat als je een groep nadert laten je meteen weten met welke soorten je te maken hebt. Zodra ze dan opvliegen kun je de kramsvogels makkelijk van de koperwieken onderscheiden. De koperwiek heeft onder zijn vleugel een roestbruine vlek zitten die door het wieken van de vleugel zichtbaar wordt voor de aanschouwer. De kramsvogel daarin tegen heeft een blauwgrijze ondervleugel, waardoor de twee kleuren in contrast met elkaar staan. Na het opvliegen zoeken ze de hoogte op van een boom of struik, om van daaruit te kunnen zien wat er gaande is. Zodra de rust is teruggekeerd, of een roofdier is verdwenen, keren ze terug naar hun foerageergebied.

Foto’s/ tekst: Roel Diepstraten

Het ree en het cultuurlandschap

De dagen worden korter en langzaam wordt het kouder. Het wordt winter. Een periode waarin voedsel schaarser wordt en een moeilijke tijd aan breekt voor veel dieren. Bij het ree is dat net zo. De dieren gaan op zoek naar eten in de paar uurtjes waarin het licht is. Je zult ze dan ook veel vaker tegen komen!

Reeën komen in vele verschillende landschapstypen voor. Het liefst leven ze in parkachtige landschappen met lichtere gevarieerde opstanden met veel ondergroei en bosranden. Bij een te hoge dichtheid zien we reeën op plekken waar weinig tot geen bos aanwezig is zoals open kale weilanden. Het liefste gebruiken ze houtsingels en andere plaatsen waar ze dekking kunnen vinden om de dag in door te brengen.

Ree-hinde met kalf

Ree-hinde met kalf met op de achtergrond een gevlochten heg

Vrijwel overal kun je ze in Nederland tegen komen. Op enkele plekken zoals een paar Waddeneilanden en sommige polders vind je geen reeën. Verder vind je ze overal! Door struwelen, houtwallen en andere lintvormige bosschages aan te leggen kunnen reeën meer dekking vinden. Hierdoor wordt zijn leefgebied verbeterd. Ze hebben meer rust en kunnen voldoende dekking vinden. Ook krijgen ze een gevarieerder voedselaanbod.

Het ree is gebouwd om in dichtbegroeide bosschages en hoog gras te leven. Met zijn kleine lichaam kan hij zelfs onder zeer laag prikkeldraad door kruipen of springen ze er overheen met behulp van hun grote, goed ontwikkelde dijbeenspieren. Hier maken ze dankbaar gebruik van zodra ze gevaar horen of ruiken. Hun reukvermogen is beter ontwikkeld als dat van bijvoorbeeld een hond. Waarschijnlijk kunnen ze van 300 tot 400 meter afstand geuren waarnemen. Het gezichtsvermogen van een ree is maar matig ontwikkeld. Ze kunnen bijvoorbeeld niet zien of een persoon stil naar ze zit te kijken. Zodra je beweegt zal het ree dit des te sneller doorhebben. Wil je een ree goed waarnemen blijf dan rustig en stil op een plek zitten.

Ree in het open veld

Ree in het open veld

In de zomer leven reeën apart van elkaar. In de winter kunnen ze groepen vormen van soms wel 10 dieren. In de zomer hebben ze een territorium, dat vooral door de bokken actief wordt verdedigd. De territoria van de vrouwtjes overlappen regelmatig. De dieren blijven vrijwel hun hele leven op de zelfde plek.

In het cultuurlandschap kunnen veel reeën leven. Er is namelijk voldoende dekking en voedsel. Door de aanleg van heggen en andere landschapselementen wordt het leefgebied van het ree verbeterd. De kans op een plotselinge ontmoeting wordt daardoor vergroot. Een prachtig en lieflijk dier dat menig fietser en wandelaar tot stilstand brengt zodra hij zich laat zien.

Romeinen in Kekerdom

De Rijn vormde de grens van het Romeinse rijk. Deze grens noemde de Romeinen de Limes, een lint van kampen, legioenbasissen en verdedigingstorens.  Een bouwwerk dat hier ook deel van uitmaakte was de versterking die de Romeinen hadden gebouwd in Kekerdom. De gemiddelde afstand tussen de legioenbasissen, ook wel de Castella genoemd, bedroeg 6,5 kilometer. Nijmegen was de eerst volgende legioenbasis die stroomafwaarts lag. Deze afstand was zodanig dat men naar de andere wachttoren lichtsignalen kon afgeven. De Limes ontstond toen de Romeinen definitief afzagen van de verovering van Germania. Het noorden van de Rijn was het gebied van de Germaanse volkeren, zoals de Friezen. Onder de Rijn waren het de Romeinen die het voor het zeggen hadden. De oorspronkelijke bewoners van dit gebied, de Bataven en de Galliërs bijvoorbeeld, moesten leven met de regels van de overheersers.

De Limes in Nederland.

De Limes in Nederland

Rivieren waren, en zijn nu nog steeds, duidelijke grenzen in het landschap. Het was dan ook makkelijk om deze grenzen te verdedigen. Daarnaast zorgde de rivier voor een makkelijke goederenaanvoer voor de bewoonde gebieden tussen het Duitse Rijngebied en Brittannië. Hoewel de Limes langs de Rijn ligt, waren er ook verschillende verdedigingswerken in het binnenland.

In de jaren 19 – 16 voor Christus begonnen de Romeinen met de aanleg van een militaire uitvalsbasis op de Hunnerberg bij Nijmegen. De heuvelrug was de laatste hoge en droge plaats voordat het rivierengebied begon. Daarnaast was deze plek goed te verdedigen doordat het omliggende landschap erg laag lag. Later ontstond er een dorpje in de buurt van de legerplaats. Deze groeide later uit tot de grootste stad vanuit die tijd; Batavodurum of te wel Nijmegen.  Door de grote aanwezigheid van veel Bataven die hier leefden kreeg de stad deze naam. Nadat er een Bataafse opstand was geweest werd er een nieuwe stad gebouwd met een nieuwe naam: Ulpia Noviomagus.

Een afbeelding van hoe de Romeinse stad Ulpia Noviomagus er uit zou hebben gezien.

Een afbeelding van hoe de Romeinse stad Ulpia Noviomagus er uit zou hebben gezien.

Deze, voor die tijd, grote stad trok veel mensen aan. Handelaren en ambachtslieden, soldaten en vele anderen wisten de weg naar Nijmegen te vinden. In de omliggende gebieden waren verschillende kleine gehuchten van enkele boerderijen, veel groter waren de dorpen toen nog niet. De vestiging van Kekerdom zorgde voor de controle van de waterweg, de grens en de stad die verder op lag, en had enkele boerderijen tot zijn beschikking. Hier werd onder andere voedsel geproduceerd voor de soldaten die hier gestationeerd waren. De vestiging werd geplaatst op de oeverwal langs de rivier. Dit hoger gelegen gedeelte was een strategische plek die niet snel  overstroomde als de rivier buiten zijn oevers trad. Met hoog water was de gehele vesting omringd door water in dit moerassige gedeelte, met uitzicht over het water, het moeras en in de verte de bedrijvige stad op de heuvelrug.

Afbeeldingsbronnen:

http://www.geschiedenisdc.nl/klas1/4.%20De%20Romeinen/afbeeldingen%20romeinen/4-oefentoets.htm

http://www.gelderlander.nl/regio/nijmegen/zo-zag-romeins-nijmegen-west-er-rond-160-a-d-uit-1.3636892